SOS-Team - SOS-Jeugdzorg

Gastblog

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 70 niet laden

SOS-Team

SOS-Team

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit, sed do eiusmod tempor incididunt ut labore et dolore magna aliqua. Ut enim ad minim veniam, quis nostrud exercitation ullamco laboris nisi ut aliquip ex ea commodo consequat. Duis aute irure dolor in reprehenderit in voluptate velit esse cillum dolore eu fugiat nulla pariatur.

Op 14 juli 2021 verscheen in de media het zoveelste jank-artikel (1) van een jeugdzorgbestuurder over toenemend geweld tegen jeugdbeschermers. In dit geval Ruud Brinkman van jeugdbescherming Overijssel die volgens de strategie van ‘dader presenteert zich als slachtoffer’ medelijden probeerde op te wekken bij het grote publiek dat nog altijd geen kennis heeft van de voortdurende structurele misstanden in de jeugdzorgsector. Een week daarvoor was er een aangrijpende documentaire op televisie geweest over het willekeurige, hardvochtige en amateuristische handelen van Veilig Thuis, de Gecertificeerde Instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) gezien door de ogen van verloskundige Sylvia von Kospoth (2). Standaardpraktijk bij ieder kritisch artikel in een grote krant of een uitzending over de wanpraktijken van jeugdzorg is dat de dagen daarna er meteen een tegenoffensief komt vanuit jeugdzorg dat twee mogelijkheden kent; ofwel er wordt snel een andere krant gebeld die een menselijk portret schildert van een paar gezinsvoogden die met veel liefde en integriteit hun werk doen (waarbij ze soms ‘moeilijke’ keuzes moeten maken) of er komt een klaagzang van een jeugdzorg-bobo over het toenemende geweld tegen jeugdzorgmedewerkers in een zelf geschreven column of een ‘spontaan’ interview in de krant. 

 

Mr Ir P.J.A. Prinsen

Renbaanstraat 45

2586EX Den Haag

PRINSEN

LEGAL OPINION

http://peterprinsen.nl

 

 

 

“WAARHEIDSVINDING”

 

Er zijn drie typen cliënten.

 

  1. Ouders met een kinderbeschermingsmaatregel krachtens het BW (de “justitiële jeugdketen”)
  2. Ouders die op eigen verzoek jeugdhulp genieten krachtens de Jeugdwet.
  3. Ouders die op eigen verzoek jeugdhulp genoten (groep b), maar die om wat voor reden dan ook in groep a terechtkwamen.

 

Ouders klagen over ongegronde beschuldigingen, onvrijwillige en/of ondeugdelijke diagnostiek) en het niet serieus genomen worden van betwisting en weerlegging.

 

“Waarheidsvinding” (ongegronde beschuldigingen) betreft met name groep a. Binnen die groep dreigen twee fundamentele problemen:

 

1. Ongegronde beschuldigingen: Ouders uit groep a maken bezwaar als professionals een OTS- of UHP-verzoek aan de rechter onderbouwen met vergaande ongegronde beschuldigingen. Betwisting van die beschuldigingen door ouders worden afgewimpeld met het dubieuze mantra:  “In het Jeugdrecht gaat het niet om waarheidsvinding”. Dubieus, want hun bezwaren betreffen niet het al of niet vinden van een waarheid omtrent de ontwikkelingsdreiging, maar betreffen de ongegrondheid van de beschuldigingen die ten grondslag worden gelegd aan die gestelde ontwikkelingsdreiging.

 

2. Blanco rechtsnorm:  Het tweede probleem waarover professionals willen zwijgen als zij zeggen dat zij niet aan “waarheidsvinding” hoeven te doen, betreft de ongrijpbare rechtsgrond “ernstig bedreigd in zijn ontwikkeling”, de wettelijke  grondslag voor een OTS (art. 1:255 BW). In de wet ontbreekt een concreet toetsingskader voor vermeende ontwikkelingsdreiging. Over flagrante verwaarlozing zullen we het gauw eens zijn. Maar in een meer discutabele casus, mag daarin de mening van de raadsrapporteur of de diagnose van de benoemde academisch geschoolde onderzoeker voldoende zijn voor OTS of UHP? Zolang dat toetsingskader in de wet ontbreekt kan de rechter niet anders dan het verzoek toewijzen. Inderdaad, dat een kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd kun je niet bewijzen terwijl het toch waar kan zijn. Maar dat hoort dan reden te zijn om hierin een taak voor de wetgever te zien: een normatief kader codificeren, in wettekst vastleggen. Ook kinderen hebben recht op een rechtsstatelijke behandeling als hun vrijheid wordt aangetast.

 

Toelichting ad 1: Ongegronde beschuldigingen

Ongegronde beschuldigingen spelen vooral (maar niet alleen!) een desastreuze rol bij spoed-uithuisplaatsingen [1] (UHP zonder voorafgaand ouderverhoor, art. 800 lid 3 Rv [2]). Met een telefonische spoedmachtiging UHP die niet aan dat artikel is of wordt getoetst plaatst de kinderrechter zich zelf voor een voldongen feit dat niet gaarne wordt teruggedraaid bij het ouderverhoor post hoc: het kind zit dan al bijna 14 dagen in het pleeggezin, terugdraaien vergt organisatorische inspanningen.

 

Verbetervoorstel 1: Invoering van een Rechter-Commissaris [3]

-      Een verzoek spoedmachtiging UHP wordt door de Raad voor de Kinderbescherming gericht aan de Officier van Justitie. Na formele toetsing door de OvJ (zijn de aangevoerde gronden conform de wet?) wijst de OvJ het spoed verzoek toe (de veiligheid van het kind staat voorop!) en dient het in bij de R.C.

-      Aan de ouders wordt een (piket-)advocaat toegevoegd.

-      De R.C. hoort binnen maximaal 3 dagen de ouders en de OvJ en toetst de rechtmatigheid van het verzoek onder meer aan de norm van het huidige art. 800 lid 3 Rv:

o  Is er voldoende feitelijke grond voor het aannemen van “onmiddellijk en ernstig gevaar” (levensbedreigend of anderszins ondraaglijk)? De R.C. beoordeelt expliciet de aannemelijkheid daarvan en van de overige aan het verzoek ten grondslag gelegde feiten.

o  Voltrekt het gevaar zich als niet “onmiddellijk” wordt ingegrepen? Of kan het kind nader onderzoek gewoon thuis afwachten (zo nodig met aanwending van andere middelen ter afwending van het gevaar)?

Art. 800 lid 3 Rv dient door een uitgewerkte regeling van het bovenstaande te worden vervangen.

Doorstaat het verzoek de toetsing door de R.C., dan blijft het kind gedurende het in te stellen onderzoek in het pleeggezin. Binnen een onderzoekstermijn van 3 maanden behandelt de Kinderrechter bij een inhoudelijk  ouderverhoor het onderzoeksrapport. Hij staat de definitieve machtiging toe òf wijst het verzoek af. Om misbruik te voorkomen: verlenging van de onderzoekstermijn is niet mogelijk.

 

Toelichting ad 2: blanco rechtsnorm

 

Nergens geeft de wet houvast welke gedrags- of andere modaliteit getoetst moet worden aan welke concrete norm dan ook. Geen wonder dat rapporteurs, zoekend naar onderbouwing van hun verzoeken, hun toevlucht nemen tot het presenteren van hun veronderstellingen als feit, tot “framing” van halve waarheden, tot uit hun verband rukken van de feiten en tot overdrijving.

 

Artikel 1:255 BW is blanket-wetgeving: de mening van rapporteur en rechter telt. De wet geeft geen norm waaraan getoetst moet worden. In gevallen van flagrante verwaarlozing of mishandeling zal, zoals gezegd, iedereen het al gauw met elkaar eens zijn. Maar legio zijn de gevallen waarin dat niet zo duidelijk is. Dan wordt een wettelijk toetsingskader node gemist.

 

Verbetervoorstel 2: Wetboek van Kinderbescherming

Naar analogie van het wetboek van strafrecht, waarin een veelheid van gedragsmodaliteiten strafbaar is gesteld, zou er een apart wetboek van kinderbescherming moeten worden ingevoerd. Een goed aanknopingspunt biedt Bartels & Heiner (1989): “De condities voor optimale ontwikkeling”. Deze benadering is uitgewerkt door Kalverboer en Zijlstra: “Het belang van het kind in het Nederlands recht” (2006). De daarin opgenomen “Vragenlijst belang van het kind – Een pedagogisch instrument voor juristen” zou een basis kunnen bieden voor een nadere uitwerking in wettekst, leidende tot een rationele uitwerking van het omineuze “ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd”.

 

Artikel 3.3[4] Jeugdwet is een papieren tijger gebleken, niet in staat het ontregelend effect van de term ‘waarheidsvinding’ een halt toe te roepen. Opnieuw op uitnodiging van een LOC-werkgroep is dezerzijds bepleit om het debat expliciet weer te richten op de oorspronkelijk bedoelde problematiek: ongegronde beschuldigingen in de rapporten. Er werd besloten het onderhavige congres te organiseren. Nadat door het Departement subsidie was aangeboden is teruggevallen op de ambivalente term “Waarheidsvinding” als congresthema.                             ¨

 _________________________

 

[[1]]    In 2016 volgens het CBS 1.560 VOTS-uitspraken (@ Spoed-UHP). De OTS instroom 2016 was 8390.

 

[2]    Art.800 lid 3 Rv: De beschikkingen [. . . ] tot machtiging [. . .] om een minderjarige uit huis te plaatsen [. . .] kunnen alleen dan aanstonds worden gegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Deze beschikkingen verliezen haar kracht na verloop van twee weken [. . .].

 

[3]    In motie 31 839 nr. 568 d.d. 23 februari 2017 heeft de Tweede Kamer de regering verzocht de mogelijkheid te onderzoeken van het inzetten van een onafhankelijke onderzoeksrechter.

 

[4]    Art. 3.3 Jeugdwet: De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling zijn verplicht in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.

 

 

 

 

 

 

 

 

The Dutch CPS system structurally fails to protect child interests

 

According to Sven Snijer & Ranada van Kralingen from the Dutch parental support organisation SOS-Jeudgzorg, the main reasons for the structural failure of the Dutch Child Protection System (“Jeugdzorg”) to protect child interests in The Netherlands are as follows.

 

1. Legal presumption of guilt

As a parent you are assumed to be guilty until proven innocent. Accusations against parents are routinely based upon nothing more than gut instinct.

Core presumption: Parents generally regarded as a danger to their own children. 

 

There is a complete lack of recognizing the integrity of the family system. See SMECC:

https://www.maastrichtuniversity.nl/nl/blog/2018/07/smecc-de-toekomst-van-effectieve-preventie-kindermishandeling

“Parental authority is no longer automatic at the birth of a child, but something that requires preparation and (where necessary extra) support.”

 

Yet despite this already extremely negative view of parental capabilities, many Dutch youth care theorists would like to see even more state control in raising children, according to state dictated rules and values such as the GIRFEC framework. 

 

https://journals.sagepub.com/doi/full/10.1177/2158244016629525

 

“Indeed, whereas for the 19th and (to an extent) the 20th century the ideal was to push the need for self-reliance and autonomy, and to argue that “to patrol the home was a sacrilege”… today in comparison, the state is more inclined to see autonomy as a barrier to the third-party support necessary to maintain risk-free relationships in the family.”

 

Mr Ir Peter Prinsen ()

 

13 november 2019

De kinderrechter kan een minderjarige die in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd onder toezicht stellen[1] (0TS) van een Gecertificeerde Instelling (GI). Een gezinsvoogd van de GI voert de OTS uit. De ouders worden geacht binnen een redelijk termijn[2] (normaal 2 jaar) de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer te kunnen dragen. Zo niet, dan kan het ouderlijk gezag worden beëindigd[3].

De kinderrechter kan voorts de GI machtigen het onder toezicht gestelde kind uit huis te plaatsen[4] als dat noodzakelijk is in het belang van verzorging of opvoeding.

Hoe kijkt de gezinsvoogd (jeugdbeschermer) tegen zijn/haar taak aan? Anders gezegd: is de gezinsvoogd zich bewust van het denkframe waarin hij is opgeleid?

 

Belang van het kind: Ouderexclusieve taakopvatting

De gezinsvoogd heeft geleerd dat het belang van het kind centraal moeten staan. Het belang van het kind is het enige dat telt. Dit is de ouder-exclusieve benadering. Karikaturaal uitgedrukt: Het gaat om het kind, de ouders doen er niet toe.

 De gezinsvoogd die in dit denkframe redeneert beseft niet dat hij onbewust het kind tegenover zijn ouders plaatst. Veel jeugdbeschermers lijken ervan uit te gaan dat zij het kind tegen diens ouders moeten beschermen. Zij beseffen niet dat het wèl de ouders zijn van hun pupil, en dat hun benadering noch van respect voor hun pupil, noch van respect voor de ouders van hun pupil getuigt. De gevoelens van het kind voor zijn ouders worden genegeerd, niet zelden met grof geweld.

Het kan ook anders. Sterker nog: de wetgever schrijft een ander frame voor:

 



[1]     art. 1:255 lid 1 sub a BW

[2]     art. 1:255 lid 1 sub b BW

[3]     art. 266 BW

[4]     art. 1: 265 b lid 1 BW

 

 

      

 

Vrije rechtsvinding is de minst aan codificatie gebonden vorm van rechtsvinding (Mr.G.J. Wiarda, ‘Drie typen rechtsvinding’; Kluwer, ISBN 9789027150592).

Gerard Wiarda plaatste bij het meest vrijblijvende systeem van rechtsvinding, dewelke jeugdzorgrechters gebruiken, een gróót knipperlicht!!!  Bij het passeren tot in dit vrije systeem kleven gevaren van willekeur en rechtsonzekerheid, zeker voor het gezin dat geen voorlichting en dus geen keuze kreeg. 

 

Deze vrijheid voor de rechter wordt bij familiezaken, zeker  met jeugdbescherming, – opmerkelijk – achter geslóten deuren behandeld, zodat er nauwelijks controle plaats kan vinden op het overschrijden van grenzen.1  

Dit op basis van artikel 803 Rv,[1]  waarbij de jeugdbescherming zich beschouwt als belanghebbende qua persoonlijke levenssfeer, en zal een verzoek van ouders om een eigen deskundige ter zitting te mogen hebben niet honoreren, en daar gaan onkundige rechters in mee. We zien in de praktijk dat de jeugdbescherming tégen ouder’s verzoek op basis van lid 2 stemmen. Vreemd, omdat de jeugdbescherming er niet naar ‘persoonlijke levenssfeer’ zit!

 

Bijlage is het grootste deel van de tekst die ik de Inspectie G&J heb gestuurd.

Duidelijk hierin is dat er twee stukken in gebruikt zijn zodat overlap logisch is. Bijlage!
+
Ik heb nu per post dus ook het MinJus geschreven omdat op de mail geen ontvangstbevestiging kwam (het antwoord op vorige WOB-brief was veronderstellend dat de inspectie alles onderzoekt, afschuivend, geen begrip voor inhoud dat kinderen raakt):


Waarde excellentie,

In uw brief geeft ge eigenlijk aan dat ge geen toezicht houdt op de toezichthouders en ondanks alle kritiek over de jeugdzorg geloof stelt dat dit sociale en zo besloten domein nooit zulke grote aantallen fouten maakt dat er in het land gesproken wordt van institutionele kindermishandeling.

De jeugdbescherming schemert naar de pers dat er zoveel tevreden cliënten zijn, maar wanneer we met een WOB-verzoek het rapport cliënttevredenheidsonderzoek, de cliënt aangaande, opvragen, verschuilt de G.I. zich achter een onbewezen feit dat de G.I. niet valt onder de WOB, ondanks uw site https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/wet-openbaarheid-van-bestuur-wob/documenten/rapporten/2005/06/10/lijst-voorbeelden-publiekrechtelijke-instelli met een lijst van publiekrechtelijke instellingen, waaronder: “Voogdij- en gezinsvoogdij instellingen (Guardianship and Family Guardian ship Institutions)” onder ‘Ministerie van Justitie’ op pagina 2.

Waar het om een intern stuk zou gaan, niet de cliënten betreffende, dan is er nog begrip voor de rigide houding van de G.I..

Doch waar naar de pers geschemerd wordt dat de G.I. bijna geen klagers kent, tegenover de duizenden bij ouderorganisatie klagende ouders, en het gaat om het meest optimale belang van het kind-met-interactiebelangen-met-diens-familie (een kind is geen alleenstaand object), met ook latere belangen (identiteitsfase; denk aan prof. René Hoksbergen), geeft de G.I. geen reëel beeld, of erger, verbergt de G.I. diens fouten.

 

 

Studeerkamerlezing

KEERPUNTEN voor het FAMILIERECHT

Op 7 mei 2013 werd Nederland opgeschrikt door een familiedrama. Op die dag werd het lichaam gevonden van de vader van Ruben en Julian uit Zeist. Veertien dagen later werden de lichamen van de twee broertjes gevonden. Het was de fatale afloop van een “conflictueuze echtscheiding” die zich vier jaar heeft voortgesleept.

De burgemeester van Zeist wilde meteen Jeugdzorg en Kinderbescherming aanspreken over “de begeleiding van het gezin”.

In het Inspectierapport lezen we wat eraan vooraf ging:

 “De moeder heeft meerdere malen bij vrijwel alle betrokken instellingen aangegeven dat zij zich zorgen maakte over de veiligheid van de kinderen bij vader. Deze signalen zijn door alle instellingen serieus genomen en onderzocht.

In het functioneren van de vader […] is door de verschillende instellingen nooit […] bevestiging gevonden voor deze signalen. De vader toonde zich in de contacten met de instellingen betrokken, redelijk en meewerkend.

Na de laatste politieaangifte van de moeder tegen de vader besluit de Raad om met een OTS “een stabiele, voorspelbare en rustige opvoedsituatie te creëren”, door beëindiging van het co-ouderschap, met:

-    hoofdverblijf bij de moeder,

-    ééns in de twee weken omgang met vader.

De Inspectie verzucht:

“Ouders moeten bereid en in staat zijn om te reflecteren op hun handelen.

Er moet “wetenschappelijk onderzoek” komen over “het doorbreken van de impasse tussen strijdende ouders”.

De noodzaak van “wetenschappelijk onderzoek” spreekt mij aan. Maar de insteek van de Inspectie niet. Ik zie liever onderzoek naar een “doorbreken van de impasse van het Familierecht” want dáár wringt volgens mij de schoen.

Had dit drama voorkomen kunnen worden? Ja, dat had gekund. Maar het vereist een viertal radicale omwentelingen in ons denken over scheidingen:

 

Bericht van de RvdK over het regeeraccoord 2017 m.b.t. de ‘jeugdzorg’:

 

 

 

https://www.kinderbescherming.nl/actueel/nieuws/2017/10/02/dit-staat-er-over-kwetsbare-kinderen-in-het-regeerakkoord-vertrouwen-in-de-toekomst.

 

Echtscheidingen die problematisch verlopen kunnen veel schade aanrichten bij ex-echtelieden en eventuele kinderen. Landelijk beleid ten aanzien van het voorkomen van “vechtscheidingen” zal gericht zijn op het wegnemen van knelpunten, die zich voordoen bij het voorkomen van deze schade. Het belang van het kind dient te allen tijde voorop te staan, wat maakt dat het contact van het kind met de ouders en grootouders wordt bevorderd.” –  

 

Daar staat: Echtscheidingen kunnen schade aanrichten, en dat klopt waar door verkeerde communicatietechnieken men te belast geraakt bewust aan communicatietechniekcursus te doen, dat positieve invloed kan hebben op wat het kind aan signalen bij de belaste ouders voelt of ziet uitstralen; een kind is niet blind voor het non-verbale. En, let op:: Het beleid zal gericht zijn op het makkelijker maken van de drang en dwang in jeugdzorgland. Dit kan met de signalen die zich voordoen bij de jeugdzorg die zelf tracht deze te 'voorkomen', doch al te vaak laat escaleren, waarover veel staat op o.a. de site van http://peterprinsen.nl/LEESMAAR.htm. En: Het belang van het kind, afgezonderd van diens belangen diens ouders te kennen en de kind-ouder-banden, staat voorop, heel koud en eenzaam.

 

Er wordt nader onderzoek verricht naar een verdere herijking van het familierecht. Daarbij gaat het onder meer om adoptie, echtscheiding, alimentatie en de positie van grootouders. Ook hierbij is het belang van het kind leidend.” –

 

Waar de jeugdzorglobby dit dicteert, zullen de scheidende ouders – i.p.v. zo vroeg mogelijk bij aandienen van scheiding (dàn bekend bij de rechtbank) – juist zo lààt mogelijk van een zo laag mogelijk jeugdzorgniveau de bemoeizorg krijgen. Dit staat haaks op het IVRK art. 24 lid 1 dat spreekt over een zo hóóg mogelijke ook psychische en orthopedagogische gezondheidszorg, waartoe goed en deskundig informeren aan ouders wat signalen kunnen aanrichten bij het kind onder scheidingsproblematiek.

 

Daar is gespecialiseerde kennis voor nodig die ouders eigenlijk urgent zèlf behoren te zoeken (BW1:247) maar met de kwakzalverij van omgangs-OTS zal dat de bekende, escalerende hulptrajecten zijn waar de gezinsvoogd vermijdt BW1:262 en 263 te gebruiken:

 

Een niet-meewerkende ouder aan diagnostiek (interactieonderzoek) zal geen juiste voorlichting verkrijgen en geen schriftelijke aanwijzing om mee te werken mèt de uitleg dat een [tijdelijke] beëindiging van ouderlijk gezag tot de mogelijkheden hoort om als een stok achter de deur de ouder te bewegen mee te werken aan 'diagnostische waarheidsvinding'. Òmdat ‘leugens’ niet geroken kunnen worden, en de gescheiden ouders elk wat anders vertellen, en de gezinsvoogd speculeert wat waar zou zijn, dient er zo snel mogelijk in het belang van het ontvankelijke kind geméten te worden, met voorlichting om ouders zo mogelijk bewuster te maken wat houding en communicatie met het kind kan doen. Het kind zou niet lang mogen lijden aan verkeerde representatie door belaste ouders.

 

 

Wat voor waarheidsvinding?

  

Nu blijkt dat de 'jeugdzorg', gedwongen door de roep om 'waarheidsvinding', een truc heeft bedacht.

We mogen gaan kijken naar en meedenken aan achteraf-waarheidsvinding, wanneer ouders reeds in het beklaagdenbankje zitten van 'onderzoek' d.m.v. gezinsplan.

Het gezinsplan is in de maak gezet bij de jeugdbescherming, de G.I..

Daar is aan vooraf gegaan een melding en Veilig Thuis, dat vaak ook al onder de hoed zit van de G.I.. Of de RvdK heeft deze casus doorgeschoven naar de G.I..

Achteraf-waarheidsvinding bevindt zich dus reeds in de beklaagdensfeer; er zijn 'vermoedens', er zijn verdachte signalen, ja, er moeten dan wel problemen zijn.

  

Achteraf-waarheidsvinding. 

Een concept gezinsplan bevat reeds een kijk op wat fout gaat en bij S&O-zaken kunnen gescheiden ouders de inbreng van de andere ouder diskwalificerend gevoelen en escalatie is reeds gaande. Ook de puber die dit wordt voorgelegd leest en wordt aan loyaliteitsconflicterende signalen over diens ouders blootgesteld. Ook staat er zelden in het plan welke echte specialist met welke beroepsregistratie op welke open onderzoeksvragen de voorlichting aan ouders zal geven en de diagnose uitvoeren om het meest optimale hulptraject te laten bepalen. Vaak wordt dit overgelaten aan een jeugdzorgwerker die daarvoor niet medisch geclassificeerd is.

In FJR2010/92 worden wat knelpunten beschreven die een rechter reeds vermoedde.

Achteraf-waarheidsvinding is dus een feit geworden in de aanloop om propaganda te maken met Jeugdwet 3.3. Het is niet enkel misleidend doch ook schadelijk gezien de beschuldigingen in 'vermoedens' en roddel.


 

 

 

Waarheidsvinding versus Niet-pluis-gevoel

Ouders en jeugdbeschermers zijn al jaren verwikkeld in een hoog oplopend debat over valse beschuldigingen in rapporten. Jeugdbeschermers: “In het jeugdrecht gaat het niet om waarheidsvinding. Dat begrip komt uit het strafrecht. In het Jeugdrecht kunnen we daar niets mee”.

Het is niet verwonderlijk dat ouders zich met dit antwoord niet-gehoord voelen. Zij vinden het oneerlijk, een drogreden: zij klagen immers niet over het niet-vinden-van-de-waarheid (welke waarheid), maar over het toelaten van onwaarheden. Tot in de hoogste regionen wordt met deze drogreden het debat de verkeerde kant opgestuurd. Ook op parlementair niveau, artikel 3.3 Jeugdwet en de aangepaste protocollen ten spijt.

Eerlijk debatteren

Een eerlijk debat begint ermee elkaar een blik te gunnen op de eigen positie bij de besluitvorming inzake een K.b.-maatregel. Een jeugdbeschermer die moet beslissen om in een bepaalde situatie een OTS of UHP voor te stellen komt soms niet verder dan een z.g. “niet-pluis-gevoel”: het gevoel dat iets niet goed zou kunnen zitten maar wat je niet hard kunt maken. “Stel dat het in dat gezin later misgaat”, zo is de gedachte, “dan ben ík daarvoor verantwoordelijk”.

Inderdaad: een niet-pluis-gevoel is niet te herleiden tot een harde waarheid. Alle begrip daarvoor. Maar dan?

De verleiding is groot om te zoeken naar concrete beschuldigingen die, mits waar, een maatregel meer kunnen rechtvaardigen. Halve waarheden en hele onwaarheden komen in het rapport dat uiteindelijk naar de rechter gaat.

Samen sterk voor rechtvaardige jeugdzorg

SOS-Jeugdzorg Contact

Nieuwste Tweet


RT @Ranada1967: Een betere rechtsbescherming van ouders en jongeren is een bittere noodzaak @DarkJeugdzorg @SOSJeugdzorg @Jeugdzorgned @Pie…

Volg ons op Facebook